In NRC Handelsblad werd dinsdag beschreven hoe een Brabantse golfclub (een vereniging dus, geen stok om mee te slaan) steeds een hapje van de omringende natuurgebieden nam. Meer greens, minder groen. Met de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet verwachten natuurbeschermers dat natuurbehoud en de markt vaker elkaars wegen zullen kruisen. Het prijzige onderhoud van natuurgebieden en recreatieplassen wordt regelmatig overgedaan aan commerciële exploitanten.

Het Woudenbergse Henschotermeer, waar ik al een leven lang kom, wordt sinds enkele jaren omgeven door een hek. Er is ook een toegangspoort zoals je die uit voetbalstadions kent. Vroeger was het terrein openbaar, nu kun je er ’s zomers voor een beperkt bedrag de hele dag heerlijk rondhangen, behalve dan als je weinig geld hebt, of veel kinderen, want dan betekent ‘beperkt bedrag’ net effe wat anders. Enkele maanden geleden werden er plannen gepresenteerd waarin het natuurgebiedje wordt volgeplempt met een activiteitenhal en chalets.

Op andere plekken is het ooit openbare groen al aardig vergolfbaand, door bv’s die provincies werk uit handen nemen, zodat je weinig anders rest dan erop vertrouwen dat het vanzelf goed komt – wat het natuurlijk nooit komt. Want, zeggen mensen die in dassen en bomen en stilte en zeldzame vogels zelfs met de beste verrekijker vooral een haperend verdienmodel herkennen, Nederland hééft helemaal geen natuur. Die paar bomen, die halve steenmarter… Het zijn toch allemaal al parken, maak er dan maar meteen ook pretparken van.

En weer een schijfje eraf, en nog één, tot ze bij de kern komen, en vaststellen: zo weinig natuur, da’s nauwelijks nog de moeite van het beschermen waard. En plok, daar gaat het laatste reepje. Binnenkort planten ze heus wel de wettelijk verplichte compensatietwijgjes, echt waar, vertrouw ze nou.

Alleen: nu even niet. Nu begint het heerlijk te ruiken op het recreatieterrein (voorheen: natuurgebied). Iemand heeft de laatste das op de barbecue gelegd.